KNAW-symposium, Amsterdam 24 februari 2015

Het gebouw als stimulans voor de toekomst

Antwoord op een vraag van Mick Eekhout

1. Waar staat het gebouw van de toekomst?
2. Wat is het gebouw van de toekomst?
3. Hoe wordt het gebouw in de toekomst gemaakt?
4. Wie maakt het gebouw van de toekomst?

1. Waar staat het gebouw van de toekomst?
Het thema voor de toekomst is verdichten en verdunnen. Het verdichten vindt plaats in de stad nu de verstedelijking zich de komende periode verder zal doorzetten. De stad is de plek voor vernieuwde gebouw-typologieën van de toekomst en zal als gevolg van complexe verdichting een smeltkroes van verschillende gebruiksfuncties zijn. Daarbij wordt wel of niet gebruik gemaakt van bestaande en reeds aanwezige structuren en gebouwdelen. Veel gebouwen zullen een transformatie binnen reeds aanwezige infrastructuur ondergaan. Bouwvolumes en complexiteit van constructies nemen toe en integratie en goede aansluiting op de infrastructuur is onontkoombaar. Er ontstaat een nieuw stadslandschap waarbij de compositie van het toe te voegen bouwvolume een belangrijke rol speelt.

Voorbeeld: TivoliVredenburg Utrecht

Voorbeeld: TivoliVredenburg Utrecht

De vraag naar wonen in de stad neemt enorm toe. Elke kubieke meter bouwvolume zal hiervoor opnieuw binnen bestaande structuur en regelgeving moeten worden onderzocht en geoptimaliseerd. Intensief bouwen in grote dichtheden vraagt om slimme plattegronden met goed gebruik van de ruimte die er is: small is beautiful.

Flexibiliteit en optimaal gebruik van energie zijn integraal onderdelen van de opgave. Bereikbaarheid en oriëntatie vragen om slimme ontwerpoplossingen waarbij de consument bij voorkeur zelf kiest hoe zijn eigen (al naar gelang zijn leeftijd en mobiliteit), woonomgeving wordt ingevuld. Vergeet daarbij niet dat onze overheid zoekt hoe zij nog honderdduizenden woningen kan toevoegen in het bestaand stedelijk gebied van de Randstad.

Voorbeeld 2: cascoloft in Houthavens

Voorbeeld 2: cascoloft in Houthavens

Tegelijkertijd doet zich buiten de verstedelijking het verdunnen voor. Welke toekomst heeft het gebouw daar nog en wat doen we met de grote leegstand die daar ontstaat? Er vindt daar een grote schifting plaats van leegstaande gebouwen die waarde hebben of gewoon moeten verdwijnen. Hoe kunnen we kleine clusters van nieuwe geschakelde leefomgevingen maken en welke mechanismen en architectonische interventies zijn daar voor nodig? Hoe om te gaan met het daar aanwezige of verdwenen erfgoed? In Zuid-Limburg ligt de uitdaging voor IBA PARKSTAD. Een opgave zou kunnen zijn het uitgegumde mijnlandschap als basis voor identiteit, vernieuwing en samenhang te kiezen.

Voorbeeld 3: Recreatief productielandschap IBA Parkstad (AnnA)

Voorbeeld 3: Recreatief productielandschap IBA Parkstad (AnnA)

Voorbeeld 4: Hotspots IBA Parkstad (AnnA)

Voorbeeld 4: Hotspots IBA Parkstad (AnnA)

En voor een deel kun je ook stellen dat het gebouw van de toekomst er al staat. Dat zijn de bestaande structuren die recent zijn gemaakt en waar als gevolg van economische crisis of, bijvoorbeeld andere wijzen van werken en wonen, om ander gebruik wordt gevraagd. Het zijn de talloze perifere landschappen die we onder meer in de jaren tachtig hebben gecreëerd en die middels nauwkeurige chirurgische ingrepen een kwaliteitsslag moeten maken. Geen grootschalige sloop, maar transformatie die bijdraagt aan een betere samenhang en leefbaarheid van dergelijke desolate gebieden.

Voorbeeld 5: Bullewijk Amsterdam Zuidoost

Voorbeeld 5: Bullewijk Amsterdam Zuidoost

Voorbeeld 6: Sloterdijk Amsterdam-West

Voorbeeld 6: Sloterdijk Amsterdam-West

En als we gaan bezien hoe om te gaan met dergelijke vernieuwing van bestaande gebouwen zullen we ons tegelijkertijd moeten bezinnen op hoe een dergelijke sprawl te verdichten en voorzien van nieuw gebruik. Hoe kunnen vraagstukken over geluid, fijn stof en barrière werking van bundels infrastructuur worden geïntegreerd in de nieuwe programma’s van gebouwen?

Voorbeeld 7:  Periferie Los Angeles

Voorbeeld 7: Periferie Los Angeles

2. Wat is het gebouw van de toekomst?
We hebben recent vele iconen gemaakt, gebouwen die de stad nieuw cultureel leven en economische groei kunnen opleveren. Of we van dergelijke gebouwen blijven houden, of misschien beter nog: of we ons aan deze gebouwen gaan hechten, gaat de tijd ons leren. Een object waar het grote publiek zich aan hecht is een goed voorbeeld van duurzaamheid.

De heldere schoonheid die velen begrijpen niet alleen vanuit een monumentale status, vraagt vanzelf te worden beschermd en te worden opgenomen door de samenleving.

Het vernieuwde Rijksmuseum is daar natuurlijk een voortreffelijk voorbeeld van. Het Shellgebouw heeft het als icoon niet gered en wordt ingrijpend gewijzigd. Maar steeds vaker is niet alleen de monument-status van een gebouw een voorwaarde voor zorgvuldige transformatie. Ook burgerinitiatieven dragen bij aan het agenderen van bestaande objecten die een nieuw leven aan de stad toevoegen.

Voorbeeld 8: De Hallen, Amsterdam-West

Voorbeeld 8: De Hallen, Amsterdam-West

Tegelijkertijd is het gebouw van de toekomst daar waar we gelukkig wonen. Maar veelal voldoen deze woningen niet meer aan de eisen van de moderne tijd. Het gaat daarbij om onze eigen woningvoorraad. Allerlei aanpassingen zijn nodig om energievraag, geluid en aanpasbaarheid aan woonbehoeften te verbeteren zonder dat we tot grootschalige sloop en nieuwbouw overgaan. Hier ligt een hele grote architectonische uitdaging. Het is de grote naoorlogse woningvoorraad die vanaf de jaren vijftig aan de randen van de bestaande stad zijn gemaakt.

Voorbeeld 9: Pret a loger (TU Delft)

Voorbeeld 9: Pret a loger (TU Delft)

Een zelfde soort uitdaging ligt er voor de leegstand van ons RIJKSVASTGOED. Iedereen voelt dat niet alleen het afboeken een probleem is. Maar we kunnen deze grote voorraad toch niet zonder meer verpulveren tot puingranulaat? De uitdaging wordt dergelijke objecten opnieuw in hun context goed te verankeren, ze nieuw leven te geven al was het maar door tijdelijk gebruik. Het bestaande gebouw als stimulans voor inventief hergebruik en impuls voor de omgeving agendeert nieuwe samenhang van bestaand volume in complexe stedelijke omgeving. Wordt het gebouw de trekker voor vernieuwing of is het een samenspel met de aanpak van het totale stadsdeel waar zich deze leegstand bevindt? En voor die gebouwen die vernieuwing niet verdragen is er de ontwikkeling om deze tot op het bod te ontleden en te herinterpreteren. Zo maakt SUPERUSE STUDIOS bijvoorbeeld al catalogi van bestaande gebouwonderdelen van leegstaande gebouwen opdat er een ruilmarkt van gebruikte gebouwdelen via internet kan ontstaan.

En dan zijn er nog de gebouwen die cultuurhistorisch en voor ons geheugen van belang zijn. Deze gebouwen dienen intelligent te worden geconserveerd zonder dat een directe gebruiker klaarstaat het object te gaan gebruiken. Want voor sommige lege gebouwen schuilt een prachtige uitdaging. Vergelijk het met het langdurig stallen van een waardevolle opgeknapte oldtimer die veilig in een parkeergarage staat te wachten op een nieuwe gebruiker en ondertussen meer waard wordt.

Voorbeeld 10: Porsche 912 uit 1965

Voorbeeld 10: Porsche 912 uit 1965

3. Hoe wordt het gebouw van de toekomst gemaakt?
De Porsche uit 1965 heeft niet meer dezelfde technologie als die uit 2015. En om over de Porsche van 2030 nog maar niet te spreken nu de zelfrijdende auto werkelijkheid is geworden. Voor het bouwen in de toekomst geldt: als technologie het antwoord is wat is dan de vraag? Hier is de noodzaak ons technische kunnen goed te integreren in architectuur. Ik noem dit: INTECTURE, integratie van technologie in architectuur. Het is de permanente zoektocht naar het materiaal dat alles kan, het materiaal dat niet bestaat maar dat telkens gezocht wordt in de bouw: stimuleer waar mogelijk het zoeken naar ZAPPI.

En naast materiaalontwikkeling zijn er nieuwe methoden al langere tijd in de maak waarvan je kunt aannemen dat deze het denken en handelen van architecten, bouwers en consumenten gaat beïnvloeden. Er komt immers een tweede industriële revolutie aan. Die gaat over de digitalisering van nieuwe productiewijzen en waarbij we gebruik maken van alles dat nu wordt ontwikkeld op het gebied van 3D PRINTEN, het CNC-frezen, ROBOTISERING, enzovoort.

Door integratie en digitalisatie van dergelijke technologie ontstaat een grote vrijheid voor ontwerpers en voor consumenten. We kunnen immers door deze techniek te koppelen aan wensen van gebruikers en ontwerpers (open) platforms ontwikkelen die ons uiteindelijk veel meer keuzemogelijkheden opleveren.

Het 3D printen en digitaal fabriceren van onderdelen van gebouwen bevindt zich nog in een pril stadium maar in potentie voel je dat hier een enorme vooruitgang kan worden geboekt op het gebied van proces en productie. Groot voordeel van deze manier van werken is natuurlijk: flexibiliteit en tools die kunnen helpen gebruikers zoveel mogelijk ontwerpvrijheid te geven. Zo kan het de leidraad zijn om tot MASS CUSTOMIZED BUILDING SYSTEMS te komen.

Voorbeeld 11: MaCuBs (Pieter Stoutjesdijk)

Voorbeeld 11: MaCuBs (Pieter Stoutjesdijk)

4. Wie maakt het gebouw van de toekomst?
Vele vragen zich inmiddels af: verdwijnt de architect, of wat minder resoluut wat is zijn invloed nog in de toekomst? Wie wordt de masterbuilder van de toekomst en kantelt het vak niet definitief af naar bouwkundig stylist in dienst van de creatieve- of bouwindustrie? En als de architect geen dominante positie meer heeft glijden we dan af naar the middle of the road: het maken van gebouwen en omgevingen die een fletse gemiddelde kwaliteit kennen, veelal enkel tegemoet komend aan slappe wensen van consumenten en waarin experiment en vooruitgang niet als herkenbare ontwerpthema’s zijn terug te vinden?

Voorbeeld 12: Rij-woningen gevelfront

Voorbeeld 12: Rij-woningen gevelfront

In de jaren tachtig van de vorige eeuw deed zich in het industrieel ontwerpen een zelfde soort discussie voor. De industrie maakte saaie producten waar de vormgeving in sommige gevallen als een soort SAUS overheen gegoten was. We noemden dat styling. Denkt u aan de opgeleukte broodroosters en theeketels maar ook slecht uitziende kopieerapparaten. En ook de auto-industrie kent zo zijn voorbeelden. Toen de industrie begon te begrijpen dat het ontwerpen van vorm en techniek van het product tot een geheel kon worden gesmeed ging het ineens stukken beter met de afzet. Marketing, productiewijze maar ook de verschijningsvorm was een afgeleide van een integraal proces waarbij vorm, materiaal en constructiewijze een geheel werden.

Vervolgens kwam daar in de jaren negentig nog de hausse aan DUTCH DESIGN overheen, zelf producerende ontwerpers die eigen producten op de markt wisten te zetten en conceptueel met nieuwe ideeën kwamen hoe anders met materiaal, processen en gebruik om te gaan. Ze gaven het productontwerpen cultureel, economisch en qua gebruik een enorme impuls. Dutch design is een wereldmerk geworden. Het is een les die de bouw maar zeker ook de Nederlandse architectuurwereld zich enorm kan aantrekken. Even leek ook de Nederlandse architectuur ten tijde van de verschijning van het boek Super Dutch een zelfde internationale vooruitgang te kunnen doormaken. Dat was de tijd dat het gebouw, de omgeving en het ontwerp van de stad ook een bestuurlijke opgave was: architectonische kwaliteit als opdracht voor het openbaar bestuur.

Vandaag de dag is het maar de vraag hoe de huidige politiek tegen de kwaliteit van architectuur aankijkt. Is de architect nog de meest geschikte om als eerste de verantwoording te dragen? Na de vastgoedfraude en de crisis wordt er ook anders tegen de kwaliteit van het werk van architecten aangekeken. Een tendens is gaande waarin de architectonische component een onderdeel is dat je kunt managen. De positie van de Nederlandse architect is de laatste decennia aan EROSIE onderhevig en heeft als gevolg van de recente crisis nog meer ernstige klappen opgelopen. Dat brengt mij op de ziel van de zaak: wie maakt het gebouw van de toekomst? De architect, de vastgoedeigenaar of de samenleving middels participatie? Wie wordt eindverantwoordelijk?

Er is hoop. Vandaag de dag zie je jonge, veelal pas afgestudeerde architecten als eigen ondernemer met vallen en opstaan eigen gebouwen of bouwdelen ontwerpen en produceren. Een zeer interessante tendens waarbij de architect zijn AMBACHTELIJKE KERNTAAK weer in essentie naar zich toe haalt en experimenteert met nieuwe methoden en technieken. Tegelijkertijd lijken de ingenieursbureaus weer goede groei door te maken en is er een kans voor architecten als doorgewinterde designers zich te omringen in een omgeving van sterke engineers. En dat is wat we nodig hebben om tot een goed ontwerp te komen: integrale design en engineering.

Goed opgeleide en ervaren architecten moeten de voortrekkers willen blijven van goede gebouwen en stedelijke structuren die ook in cultureel opzicht een meerwaarde hebben. Dat dient gestimuleerd te worden. We zijn niet uitgebouwd, zoals de vorige Rijksbouwmeester vorig jaar stelde. We zijn pas net begonnen en de COMPLEXITEIT VAN DE OPGAVES IS MEGAGROOT. Er liggen grote architectonische vraagstukken in stedelijke en landschappelijke omgevingen op ons te wachten, waarbij het van eminent belang is dat deze door de juiste talenten met de juiste houding worden opgepakt. Daarbij dienen zij bestuurlijk gesteund te worden door politiek en overheid. Als dat (weer) gebeurd, is er sprake van een toekomst voor de architectuur als toegevoegde waarde voor onze samenleving.